SCHETSEN

 

 

Het is bewolkt en er staat een fris windje, maar de voorspellingen beloven beterschap voor de tweede helft van de dag. Vriendin A. en jij willen graag naar het strand en besluiten het er daarom toch maar op te wagen.

 

Tijdens de busreis naar IJmuiden laat de zon zich niet zien en daarna op het strand nauwelijks. Jullie strijken neer op een terras en nemen koffie met gebak in de hoop dat het ondertussen op zal klaren. Maar dat gebeurt niet en in de wind is het zelfs ietwat kil. Het strand ligt er nogal verlaten bij, zeker voor juli: La plage était déserte et dormait sous juillet.*

 

Toch wil je de zee in en laat vriendin A. met appelsap achter op het terras, want het is geen weer om een ligbed voor haar te huren. Aan het water zitten wel wat mensen. Gezinnen met kinderen. Zo te horen vooral Duitsers. Hier en daar wordt ook gezwommen. Je kleedt je uit en gaat de zee in. Een meisje van een jaar of acht zwemt en duikt daar als een dolfijn, ziet jou huiverend waden, lacht stralend en zegt: ‘Etwas kühl, aber unter Wasser ist es gut.‘

 

‘Ja?‘

 

‘Ja,‘ antwoordt ze heftig knikkend om je te overtuigen. Het is duidelijk dat ze wil dat je net zo zult genieten als zij doet. En inderdaad, als je door bent geniet je. Maar zwemmen en duiken als een dolfijn, zoals zij, durf je niet, want na een hartkatheterisatie een paar dagen eerder mag je voorlopig niet sporten en je weet niet of zwemmen daar ook onder valt. ( Hart in orde, bedankt.) Je laat je drijven en spartelt wat. Je linkerpols verkleurt erdoor als een toverbal, maar dat is alles, geen pijn of slagaderlijke bloeding.

 

Weer op het strand heb je het niet koud meer. Je droogt je af, kleedt je aan en gaat terug naar vriendin A. Die wekt met haar jasje hooggesloten een kouwelijke indruk. Maar ze verzekert je dat ze zich goed voelt en zich niet verveelt. Je bestelt wijn. Helaas niet kunnen zonnen maar gelukkig wel in zee geweest. En wat was dat een schattig meisje!

 

* Jacques Brel/La Fanette.

 

 

Een viskraam op de markt. Ervoor jij, een moeder met haar dochtertje, zo’n springerig bijdehandje, en een vrouw van middelbare leeftijd. Aan die laatste overhandigt de visboer een volle zak met kibbeling en grapt: ‘Alsjeblieft, jongedame.’

De vrouw glimlacht gevleid. Maar het springerig bijdehandje, voor wie de vrouw al stokoud moet zijn, roept smalend: ‘Ha, ha, jongedame!’

De moeder grijpt haar bestraffend bij een arm maar moet er toch ook om lachen.

De vrouw en de visboer reageren niet. Jij ook maar niet.

 

 

Je fiets blokkeert zonder dat je op de rem trapt, waardoor je bijna over het stuur tuimelt. Geschrokken stap je af en kijkt wat er mis is. De snelbinder blijkt te zijn gebroken en is tussen het achtertandwiel gedraaid. Je probeert hem los te trekken maar er is geen beweging in te krijgen. Daar moet een fietsenmaker aan te pas komen. Gelukkig is die niet ver.

 

De achterkant van de fiets optillend ga je op weg en komt Lichtelijk buitenadem bij hem aan. Hij staat buiten een luchtje te scheppen, zag je aankomen en heeft aan een half woord genoeg. Hij haalt wat gereedschap van binnen en gaat aan de slag terwijl jij de fiets in bedwang houdt. De kettingkast en het achterwiel moeten gedeeltelijk worden losgemaakt. Daarna kost het hem nog de nodige moeite om de snelbinder uit het tandwiel te peuteren.

 

Als dat is gelukt en de boel weer is vastgezet, vraag je hem of hij, nu hij toch bezig is, het zadel nog even wat lager wil zetten, want je hebt moeite met je voeten het wegdek te bereiken als je ergens even moet wachten. Je grapt dat je misschien aan het krimpen bent. Wat trouwens helemaal niet zo onwaarschijnlijk is. Grinnikend laat hij het zadel een centimeter of twee zakken, lager kan niet.

 

Al met al was hij toch wel een kwartier voor je bezig. Je vraagt hem naar de rekening, maar hij maakt een afwerend gebaar. Het is wel goed zo. Echt waar? Ja hoor, fijne dag verder. Je bedankt hem hartelijk en gaat ervandoor als een bevrijd dier: erg aardig die fietsenmaker!

 

 

Naar het OLVG - Oost om bloed te laten prikken, te laten meten hoe het met broer K. is. In de in de zogenaamde lichtstraat kom je je uroloog tegen. Hij draagt bedrijfskleding en evenals jij een mondkapje, waardoor je hem eerst niet herkent. Maar hij jou wel, hij kijkt je strak aan en dan zie je wie het is. Jullie steken een hand naar elkaar op. Hij weet wel waarom je daar bent, zal je over een week bellen met de uitslag.

 

Je bent te vroeg, het bloedprikken moet in verband met corona op afspraak en als je te vroeg of te laat bent, kun je nog niet of niet meer inloggen, wat ook nieuw is in verband met corona. Je wordt geweigerd, de computer geeft je het advies het later nog eens te proberen. Daarom ga je in een vrijwel lege wachtruimte bij de afdeling longziekten zitten lezen op je e-reader in Maartje Wortel haar bundel Er moet iets gebeuren. Op dat tijdstip is daar kennelijk weinig aanloop. Na een tijdje kijk je op en schiet er door je heen: ik wil hier helemaal niet zijn, wil niet in een ziekenhuis zijn, wil geen patiënt zijn. Maar je bent er en bent het!

 

Je gaat terug naar de bloedafname en kan nu wel inloggen. De jongeman die je bloed prikt, zegt als hij daarmee klaar is met een licht, ondefinieerbaar accent dat je naar huis mag. Ziet hij aan je dat je daar niet wilt zijn? Of gaat u niet naar huis? Je zegt dat je aan het werk gaat. Oh, wat voor werk? Je zegt dat je schrijft. Wat schrijft u dan? Gedichten, verhalen, romans… En waar werkt u dan nu aan? Aan een toneelstuk.

 

 - Voor het eerst sinds decennia schrijf je weer voor het theater, een toneelstuk in één bedrijf, We zijn er bijna, binnenkort in dit theater -

 

Dat vindt hij leuk, vertelt dat zijn familie in Letland is verbonden aan het Nationale theater daar en wenst je succes. Je zou nu wel wat langer met hem willen praten, maar dat kan niet. Oh ja, gebruikt u bloedverdunners? Nee niet. Prettige dag dan verder. Je bedankt hem en vraagt je op weg naar de uitgang af, hoe een jongen uit een theaterfamilie in Letland als bloedprikker in een Amsterdams ziekenhuis terecht is gekomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vriendin A. heeft fysiotherapie. Jij moet op haar wachten. Boodschappen heb je niet nodig, de horeca is coronagesloten en als je in het gebouw gaat zitten wachten moet je een mondkapje op, wat je benauwt.

 

’s Zomers ga je soms op een bank in het Oostenburgerpark zitten, op het pleintje daar met de bolfontein. Er gaat een weldadige rust van die plek uit. Hoewel het februari is, besluit je er ook nu te gaan zitten. Het is overwegend bewolkt maar zacht winterweer en je bent goed aangekleed.

 

Er zit niemand. Tuinlieden zijn bezig de bloemperken voorjaarsklaar te maken. De fontein werkt ’s winters niet. Je neemt plaats op een bank. Na een tijdje komt een jongeman het pleintje op: blikje bier, slordig kapsel, versleten jack en joggingbroek, dito sportschoenen. Hij groet je met een duim. Je geeft hem een duim terug. Hij gaat zitten op de bank naast die van jou, drinkt van zijn bier, zet het blikje aan zijn voeten, haalt een pakje sigaretten te voorschijn, neemt er een sigaret uit en vraagt of je een vuurtje voor hem hebt. Heb je niet.

 

Dan roept hij die vraag naar de tuinlieden. Een van hen wenkt. Zonder zijn blikje bier mee te nemen gaat hij naar hem toe, krijgt vuur, komt terug en zegt: ‘Dat werk heb ik vroeger ook gedaan, vijftien jaar geleden.’

 

‘Mooi werk toch?’

‘Ja, woont u hier in de buurt?’

‘Ongeveer, ik wacht op mijn vriendin, ze heeft fysiotherapie.’

‘Oh, ik heb ook eens twee armen gebroken.’

‘Ook?’

‘Ja, door de zwaarte kracht.’

‘Dat zal wel.’

‘Hebt u verstand van statistiek?’

‘Nou nee.’

 

Hij steekt een moeilijk te volgen verhaal af over de statistische kans te vallen en iets te breken door de zwaartekracht.

 

Hebt u het begrepen?

‘Niet echt.’

 

Ter verduidelijking begint hij over een volgens hem zeer bekende proef met knikkers, hoe groot de statistische kans is dat je uit een voorraad knikkers van een overwegende kleur blindelings een van de weinige knikkers van een afwijkende kleur zal pakken, zoiets.

 

‘Ook door de zwaartekracht?’

‘Nee, maar wel statistisch.’

‘Ah…

‘ Hoe oud bent u?’

‘Zevenenzeventig.’

 

Die leeftijd is uiteraard niet nieuw voor je, maar door het uitspreken ervan schrik je toch: zevenenzeventig! Hij beweert echter je op een jaar of vijftig te hebben geschat en daar moeten jullie om lachen.

 

‘Ik heb een oom die geboren is in 1942,’ laat hij erop volgen. ‘Die heeft me opgevangen toen mijn ouders me in de steek lieten. Ze zijn aan kanker overleden, een vorm van gerechtigheid, nietwaar?'

 

Hij staart je met een om bevestiging vragende blik aan.

 

‘Kan ik niet over oordelen,’ zeg je en staat op. ‘Ik moet gaan, mijn vriendin ophalen.’

 

‘Ja,’ antwoordt hij en staat ook op, ‘ik moet naar mijn psychotherapeut.’

‘Vergeet je bier niet.’

‘Nee, eerst even mijn lege sigarettenpakje in de prullenbak doen.’

 

Je geeft hem weer een duim, en hij jou dan ook.

 

 

foto archief.

Nieuwe reacties

26.07 | 16:53

Dat klinkt prima, Koos!!

...
27.07 | 14:20
IN ZEE heeft ontvangen 4
18.07 | 19:40
WE ZIJN ER BIJNA/WEET JE NOG heeft ontvangen 5
03.07 | 15:52
AVL heeft ontvangen 8