SCHETSEN

 

Je schrikt wakker van gegil, ergens buiten, een vrouwenstem die wanhopig om hulp roept. Het is twee uur dertig. Je staat op en opent een raam. Op het plaveisel ligt een fiets met brandende lichten. Een boom ontneemt je verder zicht. Een mannenstem roept dat hij de politie zal bellen.

 

Vanuit de benedenwoningen komen bewoners in waarschijnlijk haastig aangeschoten kleding naar buiten rennen. Onder je langs vlucht een zo te zien nog jonge man. De vrouw wordt kalmerend toegesproken.

 

Wat later pakt ze haar fiets en verdwijnt er snikkend mee in het gebouw. De bewoners van de benedenwoningen gaan terug naar binnen, de nachtelijke rust keert weer. Je sluit het raam en kruipt met vraagtekens terug in bed.

 

 

 

Na boodschappen te hebben gedaan in winkelcentrum Boven’t Y willen vriendin A. en jij in station Noord in een metrotrein stappen om huiswaarts te keren. Maar een GVB meneer roept dat jullie de metro aan de andere kant van het perron moeten nemen. Jullie steken over en stappen daar in. Veel mensen maar jullie kunnen wel zitten.

 

Er wordt omgeroepen: Beste reizigers, in het andere metrostel heeft iemand zijn behoefte gedaan, gepoept dus, en dat moet eerst worden opgeruimd. Daardoor valt dat metrostel uit en moet u helaas wat langer wachten. Verontschuldiging voor het ongemak.

 

Je zegt tegen vriendin A. dat het toch niet gekker moet worden. Gepoept in de metro! Zij is het je mee eens. Maar wat vooral bij jou blijft hangen, is het ongemak van gemak. Je probeert je voor te stellen hoe iemand ertoe komt in de metro het gemak te nemen. Moeilijk.  

 

 

 

In winkelcentrum Brazilië koop je bloemen, een boeket voor vriendin A., voor haar verjaardag. De bloemist heeft het feestelijk verpakt. Je stopt het zo goed en zo kwaad als het gaat met de stelen naar beneden in je fietstas, stapt op en steekt de Oostelijke Handelskade over.

 

 

Dat gaat met een hobbel gepaard. Je probeert achterwaarts te voelen of het boeket er nog is, maar je kunt er niet bij. Er wordt getoeterd. Je kijkt om en ziet een politieauto waarin een agent vanachter een geopend raam wenkt.

 

 

Je stapt af. Het boeket is weg. Je steekt een duim op naar de agent, zet je fiets tegen een lantaarnpaal en loopt naar de politieauto. Een andere agent is uitgestapt, heeft het boeket van de straat geraapt en overhandigt het je: ‘Hebt u zulke mooie bloemen gekocht,’ zegt ze lachend, ‘zou u nog met lege handen thuiskomen.’

 

Dat beaam je dankbaar. Goed dat er politie is.

 

 

 

Het is bewolkt en er staat een fris windje, maar de voorspellingen beloven beterschap voor de tweede helft van de dag. Vriendin A. en jij willen graag naar het strand en besluiten het er daarom toch maar op te wagen.

 

Tijdens de busreis naar IJmuiden laat de zon zich niet zien en daarna op het strand nauwelijks. Jullie strijken neer op een terras en nemen koffie met gebak in de hoop dat het ondertussen op zal klaren. Maar dat gebeurt niet en in de wind is het zelfs ietwat kil. Het strand ligt er nogal verlaten bij, zeker voor juli: La plage était déserte et dormait sous juillet.*

 

Toch wil je de zee in en laat vriendin A. met appelsap achter op het terras, want het is geen weer om een ligbed voor haar te huren. Aan het water zitten wel wat mensen. Gezinnen met kinderen. Zo te horen vooral Duitsers. Hier en daar wordt ook gezwommen. Je kleedt je uit en gaat de zee in. Een meisje van een jaar of acht zwemt en duikt daar als een dolfijn, ziet jou huiverend waden, lacht stralend en zegt: ‘Etwas kühl, aber unter Wasser ist es gut.‘

 

‘Ja?‘

 

‘Ja,‘ antwoordt ze heftig knikkend om je te overtuigen. Het is duidelijk dat ze wil dat je net zo zult genieten als zij doet. En inderdaad, als je door bent geniet je. Maar zwemmen en duiken als een dolfijn, zoals zij, durf je niet, want na een hartkatheterisatie een paar dagen eerder mag je voorlopig niet sporten en je weet niet of zwemmen daar ook onder valt. ( Hart in orde, bedankt.) Je laat je drijven en spartelt wat. Je linkerpols verkleurt erdoor als een toverbal, maar dat is alles, geen pijn of slagaderlijke bloeding.

 

Weer op het strand heb je het niet koud meer. Je droogt je af, kleedt je aan en gaat terug naar vriendin A. Die wekt met haar jasje hooggesloten een kouwelijke indruk. Maar ze verzekert je dat ze zich goed voelt en zich niet verveelt. Je bestelt wijn. Helaas niet kunnen zonnen maar gelukkig wel in zee geweest. En wat was dat een schattig meisje!

 

* Jacques Brel/La Fanette.

 

 

Een viskraam op de markt. Ervoor jij, een moeder met haar dochtertje, zo’n springerig bijdehandje, en een vrouw van middelbare leeftijd. Aan die laatste overhandigt de visboer een volle zak met kibbeling en grapt: ‘Alsjeblieft, jongedame.’

De vrouw glimlacht gevleid. Maar het springerig bijdehandje, voor wie de vrouw al stokoud moet zijn, roept smalend: ‘Ha, ha, jongedame!’

De moeder grijpt haar bestraffend bij een arm maar moet er toch ook om lachen.

De vrouw en de visboer reageren niet. Jij ook maar niet.