SCHETSEN

 

In Amerongen maak je een wandeling door het dorp terwijl vriendin A. uitrust op een bank bij de kerk. Bijna bij haar terug, komt er een vrouw uit een van de huizen rondom en roept verrast: ‘Hallo!’

 Verbaasd over haar geestdrift groet je terug.

 ‘U woont toch in Veenendaal,’ zegt ze dan ietwat onzeker door je gereserveerdheid.

 ‘Nee.’

 ‘Echt niet?’

 ‘Nee, in Amsterdam.’

 ‘Goh, u lijkt sprekend op iemand uit Veenendaal, maar neem me niet kwalijk.’

 ‘Nee hoor.’

 Vriendin A. en jij moeten erom grinniken.

 

 

In Amsterdam fiets je naar winkelcentrum Brazilië. Er zit een sjofele man op de betonnen rand van een plantsoentje en roept iets. Je verstaat hem niet, steekt je hand op en rijdt door. Bij een supermarkt stal je je fiets en gaat naar binnen. Als je met boodschappen weer buiten komt, zit de man van zojuist op een van de stenen banken voor de ingang. Hij zit daar wel vaker, waarschijnlijk woont hij in het nabijgelegen opvanghuis.

 ‘Hé man,’ roept hij als hij je herkent, ‘jij bent toch Tom?’

 ‘Nee...’

 ‘Oh man, ik dacht dat je Tom was, je lijkt nogal heel erg veel erg op Tom.’

 ‘Maar ik ben Tom niet.’

 ‘Nou, prettige dag dan, man.’

 ‘Eensgelijks.’

 

 

In de lift bij vriendin A., afdalend naar de begane grond, stapt op de tweede verdieping een oude vrouw in.

 ‘Ha buurman!’

 Je kent haar niet, denkt dat ze jou wel vaker heeft gezien en als een buurman beschouwt.

 ‘Goeie dag, mevrouw.’

 ‘Ja, u bent toch die kunstenaar die bij mij aan het einde van de galerij woont?’

 ‘Nee, ik ben van de vierde verdieping.’

 ‘Dat meent u niet! Echt waar? U lijkt sprekend op de kunstenaar die bij mij aan het einde van de galerij woont. Hij gaat verhuizen.’

 ‘Oh.’

 ‘Dus u bent hem niet?’

 ‘Nee.’

 We stappen uit en nemen knikkend afscheid.

 

 

Dat was de derde keer in betrekkelijk korte tijd. Vroeger overkwam je dat zelden of nooit. Ben je door het ouder worden op steeds meer mensen gaan lijken, lijken daardoor steeds meer mensen op jou? Misschien moet je, als een voetballer, naam en nummer op je rug gaan voeren. Maar welk nummer zou dat dan moeten zijn?

 

 

 

 

Toen je kort daarvoor blakend van onwetendheid je opwachting had gemaakt in Amsterdam, ontdekte je bij de toenmalige Moderne Boekhandelin in de Leidsestraat Harry Mulisch’ bundel CHANTAGE OP HET LEVEN. Je kocht hem, en om je niet al te eenzaam te voelen begon je erin te lezen op de stoep van het gebouwtje dat destijds toegang gaf tot een tunneltje dat naar de hal van het centraal Station leidde om het toen nog drukke autoverkeer ervoor te kunnen vermijden. De verhalen in die bundel fascineerden je, maar je wist uiteraard nog niet dat het tot een durende bewondering voor de schrijver zou leiden.

 

Jaren daarna genoten Mulisch en vele anderen, waaronder jij en je toenmalige vriendin, van de zon voor Mulisch woning op het terras van wat toen café/restaurant Lido was en waar later het Holland Casino kwam. Er zat daar ook een gewonde duif waarover een bazige man luidkeels liet weten wat er volgens hem mee moest gebeuren. Mulisch vroeg hem of hij dat dan ook zou doen, waarop de man terechtgewezen zweeg.

 

Na het een tijdje te hebben aangezien, vroeg Mulisch of jullie hem misschien wilden helpen de duif met zijn auto naar het dierenasiel te brengen, dat destijds nog aan de polderweg zat. Jullie zegden het toe en waren even later met wapperende haren naast en half achter hem gezeten in zijn krap bemeten Triumph Spitfire op weg naar het asiel Jij met een stervende duif op schoot, die door de wind in zijn veren de indruk wekte ieder ogenblik weg te kunnen vliegen, wat hij echter nooit meer zou doen.

 

Daar voor het Centraal Station lezend in CHANTAGE OP HET LEVEN wist je nog niet, kon je nog niet weten van Het stenen bruidsbed en de meeste andere van zijn geweldige boeken, wist je nog niet dat hij een dierenliefhebber was en een van je favoriete schrijvers zou worden, wat hij toen met die duif allang was.

 

 

Uit de bundel VERSLAGEN... waarvan de publicatie is uitgesteld door de corona maatregelen.

© Coos de Goede 2020

 

Als je uit de lift komt, staat er een vrouw voor te wachten. Ze heeft een rollator bij zich met daarop een forse kooi met een vogeltje erin. Je hebt haar vaker gezien, een spichtig en schichtig dametje. Maar je hebt haar nooit eerder met een rollator en een vogeltje gezien.

Je knikt haar toe.

‘Zo met de vogel op stap?’

‘Ja, een rondje om.’

‘Leuk, hoe heet ie?’

‘Sijzie.’

‘Mooie naam.’

Je buigt je naar de kooi en zegt: ‘Nou Sijzie, tjilp, tjilp dan maar, hè.’

Wat het vogeltje krankjorum lijkt te vinden maar de vrouw heel gewoon.

 

 

In de supermarkt houdt een meisje in bedrijfskleding de wacht bij een stapel winkelmandjes. Achter haar een standaard met een rol papier en een fles ontsmettingsmiddel waar vrijwel niemand gebruik van maakt. Een vrouw vraagt het meisje of de mandjes schoon zijn.

‘Ja hoor, mevrouw.’

‘Dus ontsmet?’

‘Nee, dat moet u zelf doen.’

‘Oh, wat is dan het verschil tussen schoon en ontsmet?’

‘Nou, ze zijn toch niet vies.’

Hoofdschuddend pakt de vrouw een mandje.

 

 

Je wilt gaan koken maar de bel gaat. Je doet open. Op de galerij staat een oude man met een rollator. Je kent hem niet. Hij zegt de buurman te zijn en vraagt of je verstand van televisie hebt.

 

 

‘Wat is er dan?’

 

‘Ik heb alleen beeld, geen geluid.’

 

‘Ik loop wel even met u mee.’

 

Je pakt de huissleutels en sluit de deur achter je. Uiterst langzaam gaar hij je voor. Door het raam zie je vriendin A. zitten. Je zwaait naar haar en zij zwaait terug. Waarschijnlijk begrijpt ze wel dat je hulp is ingeroepen.

 

De deur van de buurman staat op een kier.

 

‘Ik ben een tijdje opgenomen geweest,’ mompelt hij terwijl hij zijn rollator moeizaam over de drempel duwt.

 

Vandaar dat je hem niet eerder hebt gezien. Je vraagt hem maar niet waarom en waar. In de gang staat een fiets maar fietsen zal hij niet meer kunnen. Jullie gaan de woonkamer in, die als schildersatelier blijkt te zijn ingericht.

 

‘Ah, u bent kunstenaar.’

 

‘Daar staat hij.’ zegt hij zonder erop in te gaan en knikt naar een tv met inderdaad wel beeld maar geen geluid.

 

Je vraagt of hij een afstandsbediening heeft.

 

‘Is dat zo’n ding daar?’

 

Hij wijst naar een met kwasten, tubes, potten, blikken en wat al niet meer overvolle tafel waarop je bij nadere beschouwing ook een afstandsbediening ziet liggen. Je pakt hem, drukt op volume+ en er is geluid.

 

 ‘Voor mekaar.’

 

Een van verrast in beschaamd overgaande blik alvorens hij je uitnodigt even te gaan zitten.

 

‘Nee, dank u, ik moet gaan koken.’

 

Bezwaard laat je hem achter. Kan de man zich zo nog wel alleen redden?

Later zie je hem in een filmpje op YouTube nog tamelijk vitaal artistiek bezig, maar dat was een paar jaar geleden.