SCHETSEN

 

Vriendin A. en jij staan vroeger op, zitten om 8.00 uur klaar voor ontvangst. Maar wachten duurt lang. Om negen uur nog geen monteur, om tien uur ook nog niet en om elf uur ook niet. Je gelooft er al niet meer in, stelt voor dat je boodschappen gaat doen - want dat moet gebeuren - en dat vriendin A. thuisblijft voor als er toch nog een monteur komt. Dat is goed. Je maakt een boodschappenlijstje, haalt de roltas te voorschijn, trekt je jas aan en dan gaat de bel van de videofoon: de monteur!

 

Korte tijd later is hij boven, groet in tegenstelling tot eerder zijn collega vriendelijk, laat zich door je voorgaan naar de ketelkast en gaat voortvarend aan de slag. Maar als de nieuwe ontbrander - of zoiets – is geïnstalleerd wil de ketel niet opstarten.

 

Hij belt met de leverancier, krijgt met de verkregen informatie de ketel wel weer aan de gang en zegt dat hij er alle vertrouwen in heeft dat de boel zo in orde is maar dat je natuurlijk altijd kan bellen als er toch weer problemen zijn. Hopelijk niet. Nee, hopelijk niet. Prettige dag verder. Eensgelijks.

 

Je gaat boodschappen doen. Alleen. Vriendin A. blijft ook nu toch maar thuis.

 

 

 

Je belt de woonstichting over de ketel en wordt doorverbonden naar een installatiebedrijf. De dame daarvan zegt dat er toevallig een monteur in de buurt is en nog die ochtend langs kan komen. Heel goed. En dat doe hij inderdaad.

 

Als hij beneden heeft aangebeld, wacht je hem boven bij de voordeur op. Naar zijn telefoon starend loopt hij je bijna omver. ‘Ik sta hier, hoor,’ waarschuw je hem een beetje boos. En zonder je een woord of blik waardig te keuren loopt hij je dan voorbij, naar binnen, naar de ketelkast en opent die. Hij weet de weg. Je volgt hem verbluft en blijkt het te mogen zeggen, dat van de storingen en de code die dan op het schermpje van de ketel verschijnt. Maar hij onderbreekt je relaas ongeduldig, mompelt genoeg te weten, noteert het een en ander op zijn telefoon, zegt dat de automatische ontbrander - of zoiets - defect is en dat je bericht krijgt wanneer die kan worden vervangen. Dan gaat hij weer. Ironisch voeg je hem nog toe dat het toch wel even gezellig was en dan kan er zowaar even een lachje af.

 

Na twee weken van taal noch teken en vele storingen bel je het installatiebedrijf om te vragen naar de stand van zaken. De dame raadpleegt een computer, zegt oh ja, gaat het even navragen, komt na niet al te lange tijd terug, bedankt voor het wachten en vraagt of er morgen tussen 8.00 en 12.00 uur een monteur welkom is. Jazeker, zeer welkom zelfs! Maar het klinkt toch eigenlijk te mooi om waar te zijn.

 

Wordt vervolgd.

 

 

 

 

Lezen en wandelen. Gelukkig is het mooi weer. Maar het lopen gaat vriendin A. moeilijker af dan anders doordat ze de dag ervoor is gevallen.

 

Ze had zich juist blij uitgelaten over de bloeiende narcissen en krokussen in de grasperken toen ze om onverklaarbare reden viel. Een man met een kind op de fiets stopte en hielp haar samen met jou overeind. Het kind, een meisje, keek verlegen toe. Een vrouw riep vanaf een balkon of het weer ging; ze was geschrokken, dacht dat vriendin A. onwel was geworden en had al met de telefoon in de hand had gestaan om een ambulance te bellen. Maar zo erg was het gelukkig niet. Later kreeg ze wel blauwe plekken en spierpijn.

 

’s Avonds kook je bij het licht van een schemerlamp die je met een verlengsnoer hebt aangesloten in de gang. Jullie eten er ook bij. En lezen gaat daarna ook nog wel. Uiteindelijk toch maar vroeg naar bed.

 

Zonder veel hoop probeer je de volgende ochtend eerst weer even of de probleemgroep geen probleemgroep meer is. En hoera, het beugeltje gehoorzaamt! Nog ongelovig ga je naar binnen. Maar ja hoor, het licht boven het aanrecht brandt, de ontvanger van radio en tv is aan het opstarten en de koelkast neuriet tevreden.

 

Opgelucht dek je de tafel voor het ontbijt. Vriendin A. verschijnt en is verbaasd. Alles doet het weer, hoe kan dat? Tja, vraag niet hoe het kan maar profiteer ervan.

 

 

Wordt vervolgd.

 

 

 

Als je klaar bent met dweilen en de ketel weer is opgestart, blijkt dat vriendin A. heeft bedoeld dat de stroom in de woonkamer, keuken en werkkamer is uitgevallen: geen licht, radio, tv, computer, vaste telefoon, wifi en koelende koelkast meer. Dat kan toch niet door het water zijn veroorzaakt, want in de daardoor getroffen ruimten doet het licht het nog wel. En ook in de hal, gang bad - en slaapkamer.

 

Je gaat naar de elektriciteitskast. Het beugeltje van de groep voor de huiskamer, keuken, werkkamer is neergeklapt en laat zich niet opklappen. Je schakelt de aardlekschakelaar uit en aan en probeert het opnieuw. Maar nee, er zal een deskundige aan te pas moeten komen.

 

Je belt de elektriciteitsmaatschappij. Mobiel natuurlijk. De man die je aan de telefoon krijgt, zegt dat de stroomleverantie in orde is, dat je immers elders wel spanning hebt, dat je de storingsdienst van de woonstichting moet bellen. Logisch, niet goed nagedacht.

 

Je belt de woonstichting en krijgt van een dame te horen dat het geen noodgeval is omdat de woning gedeeltelijk nog wel stroom heeft. Maar toch niet in de kamers met alle apparatuur en in de keuken met onder andere de koelkast! Nee, maar zo zijn nu eenmaal de regels. Je kunt morgenochtend bellen om de storing te melden. Geweldig!

 

Maar er is weer verwarming en warm water. Al blijkt het euvel met de ketel niet verholpen, die blijft zo nu en dan in storing schieten. Gelukkig is hij dan telkens wel weer te op te starten. Het bijvullen was dus waarschijnlijk helemaal niet nodig geweest en de waterige bedoening die er het gevolg van was dan al helemaal niet. Maar er moet natuurlijk wel naar gekeken worden. Gekeken en meer dan dat. Af en toe probeer je of de neerslachtige groep weer is op te beuren. Maar tevergeefs. Morgen bellen en er nu het beste van maken.

 

 

Wordt vervolgd

 

 

 

Het is zondagochtend en de verwarmingsketel slaat telkens in storing. De meter geeft aan dat de waterdruk aan de lage kant is. Dat zal je even verhelpen. Je trekt de stekker uit het stopcontact, sluit een daartoe bestemde slang aan op de kraan van de wasmachine in de berging en op die van de ketel in de stookkast en draait beide kranen open. De druk stijgt gestaag. Dat gaat goed.

 

Als de meter aangeeft dat de druk voldoende is, draai je de kranen weer dicht. Tenminste, dat denk je. Maar bij het loskoppelen van de slang spuit het water in zowel de berging als in de stookkast alle kanten uit. Hoe kan dat, je draaide toch de goede kant op! Of toch niet, of toch wel?

 

Je weet niet beter te doen dan de slang in beide ruimten gauw weer aan te sluiten, waarmee je even twee hevige sproeifonteinen veroorzaakt. En de waterdruk loopt daarna snel op. Je probeert de kranen nogmaals te sluiten en dan lukt dat wonderlijk genoeg wel. Of beter, het was wonderlijk dat het de eerste keer niet lukte. Maar ondertussen staan er twee ruimten blank en ben jij drijfnat geworden.

 

Balend ga je met dweil en emmer aan de slag om de boel te redderen. Vriendin A., die zich tot dan toe wijselijk afzijdig heeft gehouden, roept vanuit de woonkamer dat alles uit is. Je denkt dat ze op het schermpje van de thermostaat doelt en roept terug dat het komt doordat de ketel nog niet is aangesloten. Onzin natuurlijk, wat spoedig zal blijken. Maar onwelgevallig badderend sta je daar niet bij stil. En vriendin A. lijkt je te geloven.

 

Wordt vervolgd.