SCHETSEN

ELVIS IN JUDEA

Neef N. uit Bad Yam ging ons Jeruzalem laten zien, aan zus C, zwager J. en aan mij. In de heuvels rond de stad, met door de een of andere ziekte massaal gestorven naaldbomen, kreeg de auto steeds meer moeite met het bestijgen van de hellingen. Neef N. begreep het niet en zijn passagiers al evenmin. Toch redde de auto het en bracht hij ons naar Jeruzalem.

 

In de op- en afgaande straten van de oude stad, duwden neef N., zwager J. en ik ons afwisselend een hartvergroting achter de rolstoel van zus C, die MS heeft. Met besmuikt leedvermaak onderging ze onze inspanningen en zag ze onze uitputting aan.

 

De Klaagmuur bracht uitkomst. Vrouwen en mannen dienen er apart te klagen. Een dame reed zus C. naar de vrouwenkant van de muur. Neef N., zwager J. en ik gingen naar de mannenkant en stopten daar onze briefjes in de spleten van de muur. Weer met zus C. verenigd, sloeg zij verschrikt haar handen voor het gezicht om vervolgens in alle ernst te verklaren dat ze had vergeten haar adres op het briefje te zetten. Tja, dat werd zoeken voor Jaweh.

 

We volgden de kruisweg, waar de detailhandel welig tiert. Souverniers in alle soorten en maten; zelfs stukken boomschors met groeten uit Jeruzalem in plaats van uit Ermelo. Ik kocht een speelgoed kameeltje, ook met groeten uit Jeruzalem, want je bent toerist of je bent het niet.

 

In de Heilige Grafkerk haalden we, omdat de rij voor hem het kortst was, de zegen bij een Grieks-Orthodoxe priester. Hij keek niet op van ons westerse voorkomen, zag ons waarschijnlijk nauwelijks: religieus lopende band werk. Ik schafte een theelichtje aan en ontstak dat ergens op een houten rand. Het kwam me op een vermaning van een beveiliger te staan. De man had gelijk, waarom zou ik geschiedenis schrijven door de Heilige Grafkerk in de hens te zetten.

 

Laat in de middag verlieten we Jeruzalem. De auto had het ook nu weer moeilijk in de heuvels, leek het daar nu zelfs nog moeilijker te hebben dan neef N., zwager J. en ik eerder achter de rolstoel van zus C. in de stad. Maar evenals op de heenweg en wij in Jeruzalem, redde hij het zonder doping.

 

Neef N. zei dat hij ons iets heel bijzonders ging laten zien. Nog bijzonderder dan Jeruzalem? Anders bijzonder. In de leegte van Judea, draaide hij een parkeerterrein op van een café-restaurant, een onaanzienlijk bouwsel met een gigantisch beeld van Elvis Presley afstekend tegen de al avondlijke hemel. Maar we bleken net te laat te zijn, de zaak was aan het sluiten. Nieuwsgierig gluurden we door de deurramen naar binnen: alles Elvis wat de klok sloeg. Jammer dat we er niet meer in konden. Helemaal omdat ik moest poepen, en de toiletten, buitenom bereikbaar, waren ook al afgesloten.

 

Terug in de auto wilde die niet meer starten. Neef N. bleef het hardnekkig proberen, zwager J en ik keken quasi deskundig onder de motorkap, zus C. werd vanwege de temperatuur weer in haar rolstoel geholpen, de golvende halfwoestijn rondom kleurde blauwgrijs, maar de automobiel werd niet meer automobiel.

 

Verlatenheid alom. Neef N. maakte zich zorgen over onze veiligheid en hoe nu verder. Hij belde de familie in Ashdod en kreeg hulp toegezegd. Wachten geblazen dus.

 

 

Na verloop van tijd moest ik zo nodig poepen, dat ik achter Elvis’ onderkomen een plek zocht om me, in de snel toenemende duisternis, tussen een paar oude caravans en onherkenbare rotzooi, te ontlasten. Daar echter nog maar net mee bezig, hoorde ik achter me een onheilspellend gegrom. Geschrokken keek ik om en zag dat vijf of zes grote honden met vervaarlijk oplichtende ogen en blikkerende tanden me belaagden.

 

Haastig kneep ik af, trok mijn broeken zo’n beetje op en ging er huppelend als zaklopend vandoor. De honden achtervolgden me blaffend, maar ze vielen me gelukkig niet aan. Opgeschrikt door hun geblaf, zagen de anderen me zo vanachter Elvis te voorschijn komen. Tot mijn opluchting haakten de honden af bij het bereiken van het parkeerterrein. Kennelijk was hun taak volbracht, de indringer verjaagd.

 

Hijgend mijn broeken in orde brengend, ging ik naar de anderen terug en vertelde wat me was overkomen. Zoiets hadden ze natuurlijk al vermoed. Ze kregen er de slappe lach door. Opgelucht lachte ik met ze mee. Ontkomen maar slechts half ontlast, was de aandrang toch weer beheersbaar.

 

In de zwoele duisternis vertelden we elkaar familieverhalen en keken we bij ieder autogeluid hoopvol in de richting tot het eindelijk zover was: Neef en naamgenoot C. - we zijn naar dezelfde grootvader vernoemd - en neef F. kwamen ons te hulp. Eerst even bijpraten. Opnieuw hilariteit om mijn avontuur. Ik had zogezegd de lach aan mijn kont hangen. Daarna dat waarvoor ze waren gekomen.

 

Neef C. is automonteur en neef F. heeft ook een technisch beroep, maar ze slaagden er niet in het euvel te verhelpen. Wel stelden ze een diagnose, maar in het Hebreeuws; een vertaling was niet voorhanden. Er werd besloten neef N.’s auto achter te laten en met de auto’s van de te hulp gesnelde neven naar Ashdod te gaan. Morgen zou een garage in de buurt van Elvis worden gebeld en dan wel verder worden gezien.

 

Zielig bleef de patiënt achter op het duistere en verder lege parkeerterrein. Maar het kwam goed, en naar verluidt is het voorval, tijdens de wekelijkse familiebijeenkomsten op de vrijdagavond daar in Israël, tot een klassieke dijenkletser geworden.

 

 

 

Schrijf een reactie: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle reacties

Nieuwe reacties

22.06 | 16:31

het onttorrt me Coos

...
30.06 | 14:37
KORT DOOR DE BOCHT heeft ontvangen 4
26.06 | 16:38
LIEFDESLIED/ VOLDOENDE heeft ontvangen 4
16.06 | 17:37
POËZIE heeft ontvangen 9
Je vindt deze pagina leuk