SCHETSEN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op weg naar de bibliotheek aan de Oosterdokskade om poëzie te beluisteren. Er komen je een vrouw en een man met een klein meisje tegemoet. De vrouw heeft het meisje aan de hand. Als dat blijft staan om naar een paar door de wind over de golfjes van het Oosterdok voortgedreven eenden te kijken, blijft ook de vrouw staan. Maar de man loopt langzaam door. Dan maakt het meisje zich los van de vrouw, huppelt de man achterna en roept opgewonden:

‘Pappa, die eenden varen als bootjes!’

De vrouw en jij kijken elkaar er even glimlachend door aan.

Ook daar al poëzie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een lift in het Centraal Station van Amsterdam. Er zijn twee in jouw ogen stokoude vrouwen ingestapt: waarschijnlijk net zo oud als wij, zou vriendin A. later over ze opmerken.

 

Maar goed, jij posteert je in de deuropening om in afwachting van vriendin A., die is achtergebleven, de lift tegen te houden, waardoor de twee vrouwen je argwanend opnemen.

 

‘Ik wacht op haar,’ verklaar je naar vriendin A. wijzend.

 

Dan knikken ze begrijpend en duidelijk opgelucht.

 

Als jullie zijn ingestapt, glipt nog net voor het sluiten van de deur een man binnen die zo te zien nog niet in het wintertij maar toch wel al in ’s levens herfsttij verkeert.

 

‘Rustig aan maar,' merkt een van de vrouwen op, ‘we hoeven waarschijnlijk geen van allen nog aan het werk.

 

‘Ik helaas nog wel,’ zegt de man terwijl de lift zich in beweging zet.

 

‘Nou, wees dan maar blij,’ antwoordt ze, ‘want als je eenmaal gepensioneerd bent, gaan de jaren snel.’

 

‘Ja, dan ben je oud voordat je het weet,’ bevestigt de andere vrouw.

 

‘Toch verheug ik me erop,’ zegt de man ietwat beteuterd.

 

‘Nou, doe dat dan maar lekker,’ antwoordt de eerste vrouw op een toon van, je zult het nog wel merken.

 

En dan heeft de lift het perron bereikt, wordt er met knikjes ten afscheid uitgestapt.

 

 

 

Je logeert met vriendin A. in Amerongen en wilt met haar koffie gaan drinken op het terras van ’t Berghuis, een uitspanning in het bos, op een flank van de Amerongse berg. Nou ja berg, een bult in de Utrechtse Heuvelrug.

 

In je herinnering is het een afstand die vriendin A. wel aankan. Maar nog in de nieuwere wijken van het dorp begin je te twijfelen. Je vraagt het aan een passerende vrouw.

 

‘Oh, maar dat is nog een heel eind,’ antwoordt ze met een blik op vriendin A. en haar stok.

 

Eigenwijs zeg je dat het wel moet kunnen en dan wijst ze jullie de volgens haar kortste, in ieder geval makkelijkste weg. Maar in het bos wordt de rijweg een nauwelijks verhard pad waar vriendin A. het erg moeilijk heeft en dat bovendien voor je gevoel niet in de goede richting leidt. Inderdaad nergens een verwijzing naar ’t Berghuis te bekennen. Je begint het somber in te zien, niet voor jezelf maar voor vriendin A., die al duidelijk moe wordt.

 

Af en toe passeren er fietsers, zo te zien toeristen, maar twee tienermeisjes komen waarschijnlijk wel uit de omgeving. Je houdt ze aan en vraagt naar ’t Berghuis. Het is ze tot je opluchting bekend. Ze zeggen dat jullie bij een kruising verderop linksaf moeten. Je vraagt of het nog ver is? Ze halen hun schouders op, een paar kilometer denken ze. Oef!

 

Jullie sukkelen door. Die kruising komt maar niet, het bos is stil en verlaten en vriendin A. blijft steeds verder achter. Herhaaldelijk bezorgd omkijkend, zie je haar gezwoeg aan, maar teruggaan betekent nu waarschijnlijk verder lopen dan doorgaan. Doorzetten dus maar.

 

Dan eindelijk die kruising met zowaar een verwijzing naar ’t Berghuis. Maar vriendin A. kan niet verder. Er is daar een balk langs het pad waarmee de doorgang kan worden afgesloten. Jullie gaan erop zitten. Ondanks haar vermoeidheid wijst vriendin A. je erop hoe mooi het zon doorschenen bos is. Je knikt, maar je hebt de pest in omdat je herinnering je zo’n loer heeft gedraaid en vraagt je ook af hoe het nu verder moet.

 

Na verloop van tijd, klinkt het geluid van een auto die even later met gepaste snelheid voorbij komt, ongetwijfeld op weg naar ’t Berghuis, want verder voert de weg niet. Jullie zien de bestuurster en zij ziet jullie. Te laat besef je dat je had moeten proberen te liften: dom, dom, dom!

 

Je stelt vriendin A. voor dat zij daar blijft zitten terwijl jij verdergaat om bij ‘t Berghuis te proberen iemand te vinden die haar met een auto zal willen ophalen. Daar stemt zij mee in. Ietwat bezwaard laat je haar achter. Het blijkt ook van daar nog een flink eind lopen te zijn voordat de uitspanning tussen het geboomte opdoemt.

 

 

2

 

Aangekomen ga je het terras op, waar nog bijna niemand zit. Je klampt er een serveerster aan en legt haar de situatie uit met het verzoek of er misschien iemand is die vriendin A. met een auto wil ophalen. Dat lijkt haar geen probleem, ze gaat het de kok vragen.

 

En die komt met haar terug om aan je verzoek te voldoen. Maar net met hem in zijn auto op weg, nadert er van de andere kant een auto. Je zegt dat het je, haar kenende, niet zal verbazen als ze daarin zit. En ja hoor, bij het passeren zie je haar achterin zitten. Terug dus.

 

Een vriendelijk ouder echtpaar heeft haar meegenomen. Dank aan die twee en aan de kok. Moe maar opgelucht, ruim een uur onderweg geweest, nemen jullie plaats op het terras. Zon en wind. Koffie met gebak. Uitzicht over een speelwei tussen de bomen. In de verte een zuiltje waarvan je weet dat het een monument is dat de bewoners van kasteel Amerongen hebben laten oprichten uit vreugde over de nederlaag van Napoleon bij Waterloo.

 

Er komt een stel het terras op dat jullie bij het ontbijt in hotel/café/restaurant Buitenlust hebben gezien: zij logeren daar, jullie in een dependance ervan, de Napoleon schuur, maar het ontbijt was in Buitenlust. Na de begroeting ontstaat er een gesprek. Ze volgen een uitgestippelde toeristische wandeling en zijn daardoor op dit terras terechtgekomen.

 

Ze wonen in het Zuiden van het land maar zij blijkt haar wortels te hebben in het Noorden, in een dorp waar vriendin A., die door het werk van haar vader vaak is verhuisd, als kind ook heeft gewoond. En hij werkt in Arnhem, gaat vaak naar Amsterdam voor het Rijksmuseum en het Concertgebouw, houdt van kunst, klassieke muziek en van Amsterdam. Zij niet, houdt niet van kunst, niet van klassieke muziek en niet van steden.

 

Je vertelt ze over jullie tocht door het bos en dan, als verklaring voor vriendin A.’s conditie, over haar herseninfarct van een aantal jaren geleden. Zoiets dachten ze al. En dan blijkt dat de hulpvaardige kok even ergens achter jullie bezig was en je relaas heeft gehoord, waardoor hij aanbiedt jullie straks naar het dorp terug te rijden: graag, maar wat een vriendelijkheid!

 

Het wordt drukker op het terras. Het stel gaat verder met hun wandeling. Kort daarna besluiten ook jullie op te stappen. Je vraagt de serveerster de kok te waarschuwen. Dat doet ze en komt terug met de mededeling dat hij eerst nog twee pannenkoeken moet bakken. Geen probleem, jullie hebben geen haast.

 

Als hij verschijnt, lopen jullie met hem naar zijn auto en vraagt de serveerster in het voorbijgaan of jullie al hebben afgerekend. Nee dus, tjonge, tjonge! Ietwat beschaamd doe je dat alsnog. Maar zij verdenkt je duidelijk niet van kwade opzet.

 

Bij het uitstappen in het dorp vraag je aan de kok of hij misschien een vergoeding voor het vervoer wil, waarop hij bijna beledigd reageert: natuurlijk niet! Hij wenst jullie verder een prettige dag toe. Dat wordt de terugreis naar Amsterdam, en die verloopt inderdaad prettig.

 

 

 

 

Vriendin A. en jij lopen over een smalle stoep langs een gracht. Jij voorop vanwege de ruimte. Een moeilijk lopende oude dame komt jullie tegemoet. Jij gaat voor haar opzij en zij voor vriendin A.

‘Komt u maar,’ zegt ze, ‘ik weet wat het is, ik ben zelf ook slecht ter been.’

Vriendin A. lacht haar vriendelijk toe maar vraagt als ze haar gepasseerd is:

‘Ben ik dan slecht ter been?’

‘Nou, je loopt toch niet voor niets met een stok.’

‘Nee, maar als ik zit heb ik nergens last van.’

 

DOM

 

Een vroeg donkere herfstavond. Je fietst van thuis naar thuis. In een straatje tussen de Kadijken staan twee jonge vrouwen, een op de stoep links met een wit hondje en de ander op de stoep rechts, over de rijweg heen met elkaar te praten. Je fietst er tussendoor. De vrouwen beginnen te gillen, er spant iets om je voorwiel en je merkt dat het hondje wordt meegetrokken. Geschrokken rem je en stapt af.

 

Het hondje kijkt je trouwhartig aan, kan zich kennelijk niet kan voorstellen dat je kwaad in de zin had, wat natuurlijk ook geenszins het geval was. Het arme beestje stond weliswaar bij de vrouw links, maar blijkt via een rollijn te zijn verbonden met de vrouw rechts.

 

Verontschuldigingen roepend komen de vrouwen naar je toe. En bij je gekomen zegt de vrouw die de lijn hanteert, met een buitenlands accent en een om genade smekende mimiek, dat ze je echt helemaal niet heeft gezien. Je antwoordt dat je toch braaf licht voert, maar dat het gelukkig goed is afgelopen.

 

Wat de vrouwen opgelucht beamen. Niemand boos, maar dom was het natuurlijk wel. Je ontdoet je voorwiel van de lijn, spreekt het hondje even vriendelijk toe, groet de vrouwen en fietst verder.