SCHETSEN

 

Je zet koffie voor vriendin A. en jezelf. Dan wil je een flesje koffieroom uit de koelkast pakken. Voor haar, jij drinkt je koffie zwart. Maar als je de koelkast opentrekt, valt er een pannetje met pastasaus uit. Kennelijk stond dat er niet goed in of bleef het ergens aan haken. In ieder geval klettert het op de vloer en spat de saus alle kanten op.

 

Plotseling lijkt de keuken dan het decor van een bloederige misdaadfilm, een plaats delict zonder lijk. Op de vloer, kast, tafel, stoelen, muur en zelfs op het plafond, overal zit de rode smurrie. Ongelovig zien vriendin A. en jij het aan. Laat staan, beste lezer, dat u of jij het ongezien zult geloven.

 

Urenlang ben je bezig de boel zo goed en kwaad als het gaat schoon te maken: goed voor wat betreft de vloer, kast, stoelen en tafel, kwaad voor wat betreft de muur en het plafond. De volgende ochtend ga je daar nog met de witkwast tegenaan. Waardoor het met de muur helemaal goed komt maar het plafond nuances in wit vertoont.

 

Je zegt tegen vriendin A. dat je nooit meer pasta met saus wilt eten. Dat gelooft ze niet erg. Jijzelf trouwens ook niet.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De vrouw die je bij de visboer vanachter een plastic antivirus gordijn aan haring helpt, zegt: ‘U gaat dus nog steeds naar uw werk.’

‘Nou, ik ben zelfstandig.’

‘Wat doet u dan?’

‘Ik schrijf.’

‘Oh, wat schrijft u?’

‘Romans, verhalen, gedichten.’

‘En bent u bekend?’

‘Wel als ik me heb voorgesteld.’ grap je, maar dat begrijpt ze niet.

‘Knap hoor als je dat kunt,’ zegt ze, ‘maar ik lees nooit.’

Je haalt je schouders op. Twee collega’s van haar kijken belangstellend toe. Het is stil door het corona gedoe. Zij draait zich naar hen toe en roept: ‘Hij schrijft romans!’

Ze glimlachen. Kennelijk waren ze nieuwsgierig naar wat je uitspookt omdat je er al jarenlang doordeweeks rond dezelfde tijd, op weg van je werkadres naar vriendin A., een haring eet. Gelukkig blijkt de volgende dagen dat ze je er niet anders door behandelen. Je weet maar nooit.

 

 

Met vriendin A. even de verhuizing ontvlucht om boodschappen te doen bij de Spar om de hoek. Voor de ingang van de parkeergarage in de Anne Frankstraat, waar vriendin A. altijd extra moet opletten omdat de bestrating daar een geul vormt waardoor zij er al eens een keer bijna is gevallen, vraagt een jonge vrouw van waarschijnlijk Surinaamse afkomst of je een ziekenwagen voor haar wilt bellen. Ze is beladen met tassen maar ziet er verzorgd uit.

 

Hoe weet zij dat je een telefoon bij je hebt? Ach, vrijwel iedereen heeft een telefoon bij zich! Je vraagt waarom een ziekenwagen. Ze beweert dat ze al de hele nacht en dag heeft gelopen en nu niet verder kan. Misschien kan ze dan beter in het politiebureau aan de overkant om hulp gaan vragen? Ze zegt dat ze daar al is geweest, maar dat ze haar daar willen laten ophalen door een psychiatrische inrichting.

 

‘Alstublieft, belt u een ziekenwagen voor me,’ smeekt ze.

 

Je denkt er het jouwe van maar haalt je mobieltje te voorschijn, belt 112 en vraagt om een ziekenwagen. De telefoniste wil weten wie en waar je bent en wat er aan de hand is. Dat vertel je, waarna ze vraagt of ze de vrouw zelf even kan spreken. Dat kan, je overhandigt haar je mobieltje en zegt wat de bedoeling is. Waarna ze hetzelfde verhaal afsteekt als eerder tegen jou. Maar kennelijk wordt ze niet erg geloofd, want ze herhaalt het telkens luider en beweert op een gegeven moment zelfs dat haar knieën hevig bloeden, waarvan echter niets te zien is. Kennelijk krijgt ze vervolgens te horen dat ze dan maar een taxi naar een ziekenhuis moet nemen, want ze roept: ‘Een taxi mevrouw, hoe dan, ik heb geen rooie cent!’

 

Er volgt een stilte. Je kijkt haar vragend aan. Ze zegt dat er wordt overlegd. Vriendin A. krijgt moeite met het staan en zoek je steun. Je laat het de vrouw weten, die met je mobieltje aan haar oor op uitsluitsel wacht. Ze zegt tegen vriendin A. dat ze het door haar eigen toestand heel goed begrijpt.

 

Het wachten op uitsluitsel duurt zo lang dat je haar uiteindelijk laat weten dat jullie toch echt door moeten. Ze verbreekt de verbinding, geeft je mobieltje terug en zegt dat ze wel een ander zal vragen voor haar te bellen. Maar jij wilt haar niet zo achterlaten. Haar verhaal klopt waarschijnlijk niet of niet helemaal, maar er is duidelijk wel iets met haar mis. Je zegt dat ze een taxi moet nemen naar de hulppost van een ziekenhuis.

 

‘Maar ik heb geen geld!’

‘Dat krijgt u van mij.’

 

Je geeft haar twintig euro.

 

‘Zo veel,’ roept ze verbaasd.

‘Ja, dat moet genoeg zijn, vraag maar aan de portier van de garage hier of hij een taxi voor u wil bellen als er niet gauw een langskomt.’

‘U bent, u bent goed!’

 

Je haalt je schouders op en loopt met vriendin A. door. Als je na het oversteken even omkijkt, zie je dat ze jullie ongelovig na staat te staren. Maar als jullie terugkomen van de Spar is ze verdwenen. Je bedenkt dat je haar had moeten vragen of ze dan geen huis had, want op de tassen na zag ze er niet uit als een zwerfster. En als je dat met vriendin A. deelt, stelt die terecht dat ze niet om geld heeft gevraagd.

 

Maar goed, terug naar de verhuisbeslommeringen.

 

 

 

Er moet een ledikant gedemonteerd worden. In je onttakelde slaapkamer twee verhuizers, jong en ouder jong. Ouder jong buigt zich gewapend met een inbussleutel voorover, zoekt steun op je nachtkastje en raakt per ongeluk de knop van de wekkerradio die standaard op Radio 4 is afgestemd. Bach klankkleurt plotseling de kamer.

 

Verhuizer ouder jong kijkt even verbaasd om en kruipt dan onder het ledikant. Verhuizer jong en jij kijken toe. Als een automonteur onder het ledikant op zijn rug gelegen aan het sleutelen, vraagt verhuizer ouder jong gesmoord: ‘Mag die vreselijke muziek uit?’

 

‘Nou,’antwoord je ietwat honend, ‘u hebt het toch zelf aangezet.’

 

Verhuizer Ouder jong laat een misnoegd gebrom horen, verhuizer jong zwijgt, jij schakelt de radio uit: Bachs vioolconcert in a mol, vreselijk mooie muziek.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op weg naar de bibliotheek aan de Oosterdokskade om poëzie te beluisteren. Er komen je een vrouw en een man met een klein meisje tegemoet. De vrouw heeft het meisje aan de hand. Als dat blijft staan om naar een paar door de wind over de golfjes van het Oosterdok voortgedreven eenden te kijken, blijft ook de vrouw staan. Maar de man loopt langzaam door. Dan maakt het meisje zich los van de vrouw, huppelt de man achterna en roept opgewonden:

‘Pappa, die eenden varen als bootjes!’

De vrouw en jij kijken elkaar er even glimlachend door aan.

Ook daar al poëzie.

 

 

Nieuwe reacties

21.09 | 18:09

Je ziet het zo voor je, 😀

...
21.09 | 16:11

Leuke observatie Coos!

...
22.09 | 19:28
HEELAL heeft ontvangen 5
22.09 | 19:27