Uit VERSLAGEN VAN EEN MISLUKT LEVEN

 

Je fascinatie voor Amsterdam, wellicht ooit opgewekt door de KAPITEIN ROB stripboekjes van Peter Kuhn, werd voor je vertolkt door vooral Johnny Jordaan, ook wel door Tante Leen en Willy Alberti.

 

In je tienertijd luisterde je natuurlijk ook naar TIJD VOOR TEENAGERS via de radiodistributie. En met vriend Aart door de duinen, over het strand, langs de havens en sluizen struinend, zong je de tophits van die tijd: hij was in de ban van Paul Anka en jij hield vooral van Harry Belafonte. Maar toen je tijdens een schoolconcert in het plaatselijke Patronaatsgebouw het TRIO PIM JACOBS hoorde, vond je dat fantastisch, ontdekte je de Jazzmuziek en schaamde je je voor het afkeurende geblèr en het roepen om Rock and Roll van je leeftijdsgenoten in die zaal.

 

Bij je thuis werd nauwelijks naar muziek geluisterd, maar de sfeer ten opzichte van andere dan populaire muziek en ten opzichte van kunstuitingen in het algemeen was niet afwijzend. De radiodistributie was voor dat alles nog vrijwel de enige bron in jullie omgeving. Als je naar Johnny Jordaan of Harry Belafonte wilde luisteren mocht dat, als je naar TIJD VOOR TEENAGERS wilde luisteren mocht dat - niet te hard natuurlijk - en toen je later naar jazzmuziek wilde luisteren, vooral THE MODERN JAZZQUARTET vond je geweldig, begrepen ze waarschijnlijk niet wat je eraan vond maar werd dat gerespecteerd. Dat je ook van zangers als Frank Sinatra, de muziek van componisten als Cole Porter, de gebroeders Gerswin en van Amerikaanse musicals van onder anderen Rodgers and Hammerstein was gaan houden, kon op meer begrip rekenen.

 

Je vader luisterde trouwens als het zo uitkwam weleens naar licht klassieke muziek, zoals de Bolero van Ravel, waar ook jij niet onwelwillend tegenover stond. En als je soms ’s avonds op je zussen moest passen omdat je ouders ergens in de buurt op bezoek gingen, was er vaak operette op de radiodistributie - er waren maar drie zenders - en vond je ook dat niet onaardig.

 

Maar de doorbraak naar de klassieke muziek werd zonder twijfel veroorzaakt door je omgang met vriendin M. Dat kon natuurlijk ook nauwelijks anders: conservatorium, violiste, Amsterdams Philharmonisch Orkest. Als je daar afwijzend tegenover had gestaan, zouden jullie het geen negentien jaar met elkaar hebben uitgehouden. Je leerde op dat gebied veel van haar en haar omgeving. Je ging vaak naar de concerten van haar orkest, waardoor je vooral het symfonische standaard repertoire goed leerde kennen. Maar er werd door jullie natuurlijk ook naar kamermuziek geluisterd. Andere muziekgenres dan klassieke en modern klassieke muziek raakten toen - op het Franse chanson na, vooral Barbara en Jacques Brel - op de achtergrond. Hoewel je af en toe toch ook nog wel met plezier naar Jazz en bijvoorbeeld zangers als Neil Diamond, Paul Simon en Leonard Cohen luisterde. Maar de klassieke muziek in al zijn uitingsvormen was door de omgang met M. alles overheersend geworden.

 

Dat was echter toch vooral via haar, haar ouders en later ook via N., een met jullie bevriende collega van haar. Pas toen je relatie met M. was beëindigd, werd klassieke muziek steeds meer ook echt iets van jezelf en daardoor op een andere manier belangrijk. Je ontwikkelde een grote liefde voor de muziek van Gustav Mahler, hield van Bach, Mozart en Beethoven maar ook van César Frank, Messiaen en van nog vele andere componisten op een veel intensievere manier dan vroeger. En met het ouder worden is muziek, vooral de klassieke muziek dus, steeds belangrijker voor je geworden. Misschien wel belangrijker dan de literatuur, proza en poëzie. Hoewel dat natuurlijk moeilijk te vergelijken en te bepalen is.

 

Over Mahler gesproken, het Nederlands Philharmonisch Orkest wilde zijn door de omvang weinig uitgevoerde achtste symfonie gaan brengen en maakte dat door sponsoring mogelijk. Jij wilde er graag bij zijn en vriendin A., die zelf zo’n zit niet meer aankon, trakteerde je op een toegangsbewijs. Je ging er op een zaterdagavond in februari heen. Het concert was in het Amsterdamse Concertgebouw. Toen je boekte was het al bijna uitverkocht. Je bemachtigde een zijstoel tamelijk vooraan, maar die plek bleek toch niet slecht.

 

Het werd een overdonderende, ontroerende, soms zelfs beangstigende ervaring. Die verpletterend getoonzette smeekbede, aanklacht, lofprijzing, ijzingwekkende machteloosheid. Maandenlang kon je daarna niet meer echt genieten van muziek: viel alles in het niet bij die verpletterende ervaring of had je een gehoorbeschadiging opgelopen door het volume?

 

Dat laatste waarschijnlijk toch niet, want geleidelijk keerde het genieten van muziek terug. En toen je op een zondagnamiddag een uitzending van het programma Diskotabel op radio 4 beluisterde die helemaal aan Mahler was gewijd naar aanleiding van de bewuste uitvoering van diens achtste symfonie en daarin een gedeelte van het concert ten gehore werd gebracht, barstte je in tranen uit door de herinnering aan de beleving van toen al maanden geleden. Je schaamde je voor vriendin A, die naast je op de bank zat, maar zij vond het niet erg. Er was duidelijk iets met je gebeurd daar in het concertgebouw, er leek zich op de een of andere manier een catharsis in je te hebben voltrokken.