GEDICHTEN

Waarom je leeft in verhalen,

je leven bestaat uit verhalen,

je vegeteert zonder verhalen,

wie vertelt jou dat verhaal?

 

 

© Coos de Goede 2021

 

De begraafplaats wegens sterfgeval gesloten,

dagen die voorbijgaan als wolken, telkens andere

als telkens dezelfde, verveling tijdens saai middaglicht,

vensters zonder inkijk die de laagstaande zon weer-

spiegelen met een laatste schittering over zee: fin, fine,

Ende, the end, zo ben je het einde van een film gewend.

 

 

© Coos de Goede 2021

Een gedicht van de Zantiniaanse dichter Lessew Namsob (1899 - 1975)

 

Namsob schreef zowel in het Opper-Zantiniaans als in het Neder-Zatiniaans. Er bestaan kleine verschillen tussen die twee zeer verwante talen. Het lijkt mij boeiend de verschillen in het gedicht Everdinas te vinden. Eerst hier de Opper-Zantiniaanse versie, dan de Neder-Zantiniaanse.

 

Aan een vertaling in het Nederlands wordt gewerkt. Maar de taalgevoelige lezer zal waarschijnlijk weinig moeite hebben de inhoud via de originele talen te begrijpen. En ik veronderstel dat de geografische kennis van mijn lezers zodanig zal zijn dat ze wel zullen weten waar Zantinië ligt. Dat ga ik dus niet uitleggen, ik ben tenslotte geen aardrijkskunde leraar.

 

 

Everdinas (Opper-Zantiniaans)

 

Eje kanas brimos zatonar

gabo gabo, volokonos donitator

cinboko vona prodo, milator.

Bristas waseron kanatiez pras

restinorus gladiosu precikas

mostaso, britasonus, Everdinas

 

Everdinas (Neder-Zantiniaans)

 

Eje kanas brimus zatonar

gabu gabu, volokonus donitatur

cinboku vona produ, milatur.

Bristas waserun kanatiez pras

restinoros gladioso precikas

mostasu, britasonos, Everdinas

 

Lessew Namsob.

 

 

Vroeger had je dat niet, die weerzin

jegens begraafplaatsen en crematoria,

begrafenissen en crematies, die ken je pas

sinds je einde onzichtbaar in zicht en daar dan

zeer invoelbaar is, maar uit eerbied en/of liefde

voor de dode, of om niet voor bevriende hoofden

te stoten, moet je er soms toch aan geloven.

 

 

© Coos de Goede 2021

 

Aan de kade langs het IJ hingen twee jonge meisjes uit een raam,

leuk brutaal riep één van hen: ‘Lekker hè meneer, zo’n wandelingetje

na het eten.’ En dat was precies wat je deed: ‘Heerlijk,’ riep je terug,

waarop zij giechelden en jij glimlachend doorliep.

 

Tijdens weer zo’n wandeling waren die meisjes er niet, vond je

dat de espen daar, onbeschut op het noorden, zo vrolijk ruisten

terwijl je eerder de platanen aan de andere kant van de bebouwing,

beschut op het zuiden langs de laan, juist zo treurig vond ruisen.

 

Die had je wel willen troosten, maar ruisen kon je niet,

hun taal sprak je niet, en als dat wel zo had mogen wezen,

valt te vrezen, dat je het niet blij als de espen aan het IJ, maar

even treurig als die platanen langs de laan zou hebben gedaan.

.

 

© Coos de Goede 2007