GEDICHTEN

 

Devoot hield hij de wacht

en zag tussen het grazig groene gras

van Gods tuin die zijn wereld was

hier en daar eeuwenoud zwerfpuin

dat zeer geschikt voor een steniging was

maar daar moest hij toch niet aan denken

al hoorde hij dan vrouwen zingen

- wist niet vanwaar ze kwamen

wist niet waarheen ze gingen -

een werelds dus satanslied

over een uil die in de olmen zat

bij het vallen van de nacht

en dat kon toch eigenlijk niet.

 

© Coos de Goede 2020

 

Dat ze dwaalden door een stad

die er alleen voor hen leek te zijn

door herfstbladeren, wintersneeuw

en de voorjaarsneeuw van populieren.

 

Dat ze op terrassen zaten in de zomerzon

aten aan zee of op een balkon

terwijl de merels een welterusten zongen

en een fluwelen wind nauwelijks verkoeling bracht.

 

Dat ze deinden op een thermiek van lust

wat al helemaal geen verkoeling bracht

ook niet de bedoeling was en mettertijd smoorde

in leeftijd, maar dat ze er toch nog altijd en samen zijn.

 

 

In de stilte van de rauwe ochtend

na een zoveelste nacht

van saamhorigheid zonder passie

weer getuigen van elkaar

met klankloze woorden van vroeger

en jaren die tellen, dat is voldoende.

 

 

© Coos de Goede 2020

 

 

Het was maar kort dat het je trof, maar toch

een jonge jongen nog, lopend langs een oude

verweerde muur in de winterzon, zijn schaduw

voorlijker dan dwars, soepel en snel, mannelijk

toch al, op weg naar school, baan, vriendin

vriend, ouders of kamer ergens in de stad.

 

Hield hij van popmuziek - waarschijnlijk wel -

of misschien toch van klassiek of van beide

van meisjes, jongens of van beiden, was hij

zachtaardig, gewelddadig of beide op zijn tijd?

 

Het was dus maar kort dat het je trof, misschien

omdat je in plaats van oud en verweerd als die muur

weer jong en snel als die jongen had willen zijn

met een schaduw voorlijker in plaats van achterlijker

dan dwars, maar waarschijnlijk toch ook en vooral

omdat het even zo’n mooi plaatje was?

 

 

© Coos de Goede 2020

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Alleen nog op dat stille pleintje

in de schaduw van die bejaarde boom

zitten op de bank rond zijn knoestige stam.

 

Alleen nog vanaf dat strandterras

staren naar de zomergetemde zee

waarover de late zon naar je wijst.

 

Alleen nog op dat stadsbalkon

in een zwoele zomernacht

mijmeren over wat was en wacht.

 

Alleen nog het wegstervende einde

van Mahlers negende symfonie

en de stilte daarna.

 

Alleen nog dat en meer.

 

 

© Coos de Goede 2020

 

Nooit leek geluk verder weg

dan toen je woonde aan de Orionweg

 

Ontheemd tussen sterrenbeelden en planeten

ontdaan van verzetshelden en een vriend

als man noch kind terechtgekomen

tussen leeftijdsgenoten die genoten

van dekken breeuwen in een gure wind.

 

En luisterend naar muziek die opriep

waarvan je droomde, dwaalde je hopend

op een wonder dat nooit zou komen,

op geitenwollen sokkenen en sandalen

daar waar je was geboren en getogen

maar het je niet meer kon bekoren

door de lange nieuwe winkelstraat

die de oude had verdrongen, op zoek

naar wat je voorgoed had verloren.

 

Slepend en vissend op weg naar een toekomst

waarin je niet meer geloofde, bleef je jong en dom

hopen op het wonder: maar nooit leek geluk verder weg

dan toen je woonde aan de Orionweg.

 

 

© Coos de Goede 2020

Nieuwe reacties

21.09 | 18:09

Je ziet het zo voor je, 😀

...
21.09 | 16:11

Leuke observatie Coos!

...
22.09 | 19:28
HEELAL heeft ontvangen 5
22.09 | 19:27