EEN MOOIE ZOMERAVOND

 

 

Ze slaan af, de Prinsengracht op. Hij even later ook. Het is daar aanmerkelijk stiller. Slenterende mensen, waarschijnlijk toeristen. Het roerloze groen van de bomen, hier en daar beschenen door straatlantaarns. Een geruisloos voorbij schuivende plezierboot. De vochtigmosgeur van het grachtwater. En die twee daar. Hij moet nu wel oppassen niet door ze te worden gezien. Maar ze kijken niet op of om en hij blijft zoveel mogelijk buiten het licht van de straatlantaarns.

 

Ze gaan het bordes van een grachtenhuis op. Hij blijft op een donkere plek staan. Zelfs nu laten ze elkaar niet los. Dat doen ze pas als die patser de deur opent en haar voor laat gaan. Hij rilt, maakt zich wijs dat het door opdrogend zweet komt. De deur valt met een doffe klap achter ze dicht. Het is niet moeilijk te raden wat zich daarbinnen gaat afspelen. Maar wat kan hij er tegen doen, een steen door een raam gooien? Waar haalt hij zo gauw een steen vandaan en wat zou hij ermee opschieten? Het zou misschien hun voorspel bederven maar voor hem niets oplossen.

 

Alsof hij een slechtnieuwsgesprek met een arts achter de rug heeft, gaat hij op weg terug naar huis. Door het volgen van die twee via een andere route dan op de heenweg. Daardoor komt hij langs de kantoorboekhandel waar zij werkt en ziet tot zijn stomme verbazing dat die opheffingsuitverkoop houdt: alles moet weg! Daar heeft ze hem niets van verteld. Was die patser dan toch haar baas, zijn ze van plan er samen vandoor te gaan?

 

Wat is dat toch plotseling allemaal op deze zo mooie zomeravond: de vrouw van wie hij houdt, van wie hij dacht dat ze van hem hield, voor wie hij geen geheimen had en van wie hij dacht dat ze geen geheimen voor hem had, maar van wie hij niet heeft gemerkt dat ze het met een ander houdt en die hem niet heeft verteld dat de zaak waar zij werkt opheffingsuitverkoop houdt: moet dan inderdaad alles weg?

 

Wordt vervolgd.

 

Na even verbijsterd te zijn blijven staan, begint hij ze te volgen. Aanvankelijk nog op slappe benen van schrik. Ze gaan de Leidsestraat in. Ook daar is het druk, de kans dat ze hem zullen zien is klein en hij houdt afstand. Ze hebben trouwens alleen belangstelling voor elkaar.

 

De man lijkt hem zo van achteren gezien ietwat gezet en aanmerkelijk ouder dan zij. Daarbij komt hij door zijn uitbundige zomerkleding nogal patserig op hem over. Maar hij loopt daar verdomme wel verliefd te doen met zijn vrouw!

 

En zij met hem, terwijl ze naar een vriendin zou zijn voor vakantieverhalen. Waarom heeft het hem niet verbaasd dat zij zich voor een bezoek aan een vriendin zo optutte, haar nieuwste zomerjurk aantrok en zo gehaast en gespannen was?

 

Is hij misschien haar baas, de eigenaar van de kantoorboekhandel waar zij werkt? Zij kwam de laatste tijd wel erg vaak later thuis omdat het zo druk was op de zaak. Het maakte hem niet argwanend. Hij vertrouwde haar.

 

Haar baas hoeft het trouwens toch niet te zijn. Maar wie is het dan wel en doet dat er iets toe? Feit is dat hij daar zo met haar loopt. Wat heeft zo’n patser voor op hem, zijn bankrekening misschien? Maar dan nog, zoiets had hij in de verste verte niet van haar verwacht?

 

Zijn hart dreunt alsof hij ze hardlopend volgt.

 

Wordt vervolgd.

 

Zij is naar een vriendin om vakantieverhalen aan te horen. Hij is het ontwend alleen thuis te zijn, kijkt lusteloos tv. Als hij niet op zijn werk is, een adviesbureau voor maatschappelijke vraagstukken, is hij vrijwel altijd met haar, thuis of uit, samen of met anderen. Zij werkt in een kantoorboekhandel. Kinderen hebben ze niet, willen ze niet, die zouden maar afleiden van de aandacht voor elkaar. Om dezelfde reden willen ze geen huisdieren.

 

Hij heeft het warm, zweet een beetje. Door de open ramen klinken stemmen van buren op balkons en in tuinen. Hij mist haar, vindt dat kinderachtig van zichzelf, besluit een biertje te gaan drinken op het nabij gelegen Leidseplein: een man moet zich toch ook alleen kunnen vermaken!

 

Het is druk in de stad en op het Leidseplein al helemaal. Gegons als van een volk bijen. Straatartiesten met een veeltalig publiek. Lichtreclames tegen een bleke avondhemel. Half tien en nog drukkend warm.

 

Tevergeefs zoekt hij naar een vrije plek op een terras, kijkt dan besluiteloos om zich heen en schrikt. Vergist hij zich niet? Natuurlijk vergist hij zich niet. Hij herkent zijn eigen vrouw toch wel, en die loopt daar toch echt innig gearmd met de een of andere kerel!

 

Wordt vervolgd.