EEN MOOIE ZOMERAVOND

 

 

Hij heeft het warm, zweet een beetje. Door de open ramen klinken stemmen van buren op balkons en in tuinen. Hij mist haar, vindt dat kinderachtig van zichzelf, besluit een biertje te gaan drinken op het nabij gelegen Leidseplein: een man moet zich toch ook alleen kunnen vermaken!

 

Zij is naar een vriendin om vakantieverhalen aan te horen. Hij is het ontwend alleen thuis te zijn, als hij niet op zijn werk is, een adviesbureau voor maatschappelijke vraagstukken is hij vrijwel altijd met haar. Zij werkt in een kantoorboekhandel. Kinderen hebben ze niet, willen ze niet, die zouden maar afleiden van de aandacht voor elkaar. Om dezelfde reden willen ze geen huisdieren.

 

Het is druk in de stad en op het Leidseplein al helemaal. Gegons als van een volk bijen. Straatartiesten met een veeltalig publiek. Lichtreclames tegen een bleke avondhemel. Half tien en nog drukkend warm.

 

Tevergeefs zoekt hij naar een vrije plek op een terras. Dan kijkt hij besluiteloos om zich heen en schrikt. Vergist hij zich niet? Natuurlijk vergist hij zich niet, hij herkent zijn eigen vrouw toch wel, en die loopt daar toch echt innig gearmd met de een of andere kerel!

 

2

 

Aanvankelijk op slappe benen van schrik, begint hij ze te volgen. Ze gaan de Leidsestraat in. Ook daar is het druk. De kans dat ze hem er zullen zien is klein en hij houdt afstand. Ze hebben trouwens alleen belangstelling voor elkaar.

 

De man aan haar zijde lijkt hem, zo van achteren bezien, ouder dan zij, dikkig en in uitbundige zomerkleding nogal patserig. Maar hij loopt daar verdomme wel verliefd te doen met zijn vrouw! En zij met hem, terwijl ze naar een vriendin zou zijn voor vakantieverhalen. Waarom heeft het hem niet verbaasd dat ze zich voor een bezoek aan een vriendin zo optutte, haar nieuwste zomerjurk aantrok en gehaast en gespannen was?

 

Wie is die kerel, haar baas misschien, de eigenaar van de kantoorboekhandel waar zij werkt? Zij kwam de laatste tijd wel erg vaak later thuis omdat het zo druk zou zijn op de zaak. Maar dat maakte hem niet argwanend. Hij vertrouwde haar verdomme! Haar baas hoeft die patser trouwens niet te zijn. Maar wie is het dan wel en doet dat er iets toe? Feit is dat hij daar met haar loopt. Wat heeft hij voor op hem, zijn bankrekening? Maar dan nog, zoiets had hij in de verste verte niet van haar verwacht? Zijn hart dreunt alsof hij ze hardlopend volgt.

3

 

Ze slaan af, de Prinsengracht op. Hij na een sprintje even later ook. Het is daar aanmerkelijk stiller. Het roerloos groen van de bomen, hier en daar beschenen door straatlantaarns. Een geruisloos voorbij schuivende plezierboot. De mosgeur van het grachtwater. Wat slenterende mensen, waarschijnlijk toeristen, en die twee. Hij moet nu wel oppassen niet door ze te worden gezien. Maar ze kijken niet op of om en hij blijft zoveel mogelijk buiten het licht van de straatlantaarns.

 

Ze gaan het bordes van een grachtenhuis op. Hij blijft op een donkere plek staan toekijken. Zelfs nu laten ze elkaar niet los. Dat doen ze pas als de patser sleutels te voorschijn haalt, de deur opent en haar voor laat gaan. Hij rilt, maakt zich wijs dat het door opdrogend zweet komt. Met een doffe klap slaat de deur achter hen dicht. Het is niet moeilijk raden wat zich daarbinnen zal gaan afspelen. Maar wat kan hij er tegen doen, een steen door een raam gooien? Waar haalt hij zo gauw een steen vandaan en wat zou hij ermee opschieten? Het zou misschien het voorspel bederven maar voor hem niets oplossen.

 

Met het gevoel een slechtnieuwsgesprek met een arts achter de rug te hebben, gaat hij op weg terug naar huis. Door het volgen van die twee via een andere route dan op de heenweg. Zo komt hij langs de kantoorboekhandel waar zijn werkt en ziet tot zijn verbazing dat die opheffingsuitverkoop houdt: alles moet weg! Daar heeft ze hem niets van verteld, was die patser dan toch haar baas en zijn ze van plan er samen vandoor te gaan?

 

Wat is dat nu toch plotseling allemaal op deze mooie zomeravond? De vrouw van wie hij houdt, van wie hij dacht dat ze van hem hield, voor wie hij geen geheimen had en van wie hij dacht dat ze geen geheimen voor hem had, maar van wie hij niet heeft gemerkt dat ze het met een ander houdt en die hem niet heeft verteld dat de zaak waar zij werkt opheffingsuitverkoop houdt: moet alles weg?

 

4

 

Thuis laat hij zich op de bank vallen, springt daar algauw weer van op, ijsbeert door de kamer, kijkt door het raam naar de grotendeel in duisternis gehulde, verlaten straat en gaat bang dat zij zal zien dat hij naar haar uitkijkt weer zitten om even later opnieuw op te springen, door de kamer te ijsberen, door het raam naar haar uit te kijken, bang dat hij haar zo zal zien weer te gaan zitten enzovoort. Zal hij haar bellen? Natuurlijk belt hij haar niet, hij weet toch waarom ze wegblijft! Zou ze eigenlijk nog wel terugkomen? Hij heeft het warm maar komt er niet toe de ramen weer te openen.

 

Tegen halfeen hoort hij de voordeur. Gelukkig zit hij dan juist weer op de bank, en het bonken van zijn hart zal ze niet horen. Ze komt de kamer binnen en blijft bij de deur staan als een tiener die straf vreest omdat ze te laat thuis is.

 

‘Neem me niet kwalijk dat het zo laat is geworden, maar mijn vriendin had zo veel te vertellen, veel foto’s ook.’

 

‘Leuk, maar je had even kunnen bellen.’

 

‘Niet aan gedacht. Heb jij je een beetje vermaakt?

 

Dat zij zo goed kan liegen! Is hij al die jaren blind geweest voor wie zij werkelijk is? En waarom gaat ze niet zitten, is ze van plan direct weer op te stappen? Maar nee, daar lijkt het toch niet op. Het is zaak zich te beheersen.

 

‘Ik heb wat gelezen en tv gekeken.’

 

Ze knikt, sluit de deur achter zich.

 

‘En ik kreeg zojuist een vreemd telefoontje.’

 

‘Een vreemd telefoontje, van wie?’

 

Dat weet ik niet, van een man die me vertelde dat hij een verhouding met je heeft, dat hij vanavond met je uit is geweest en daarna bij hem thuis de liefde met je heeft bedreven, dat hij je als zijn vrouw wil en jij hem als je man, dat wij daarom maar beter kunnen scheiden: opheffingsuitverkoop, alles moet weg!’

 

Verbijsterd staart ze hem aan, slikt, snikt misschien, draait zich abrupt om en vlucht de kamer uit. Waar naartoe, de wc, de badkamer, de slaapkamer? In ieder geval niet naar buiten. Niet naar die patser. Nog niet! Straaltjes zweet zoeken een weg over zijn lichaam. Hij had de ramen toch open moeten doen.

 

5

 

Maar waar is zij en wat doet zij? Hij staat op en gaat behoedzaam alsof hij iets verdachts heeft gehoord naar de gang. De wc donker en leeg, de badkamer donker en leeg. Ook in de slaapkamer is het donker maar daar hoort hij haar ademen of huilen. Hij doet het licht aan. Nog gekleed in haar nieuwe zomerjurk ligt zij ruggelings op bed en schermt nu haar ogen met een hand af tegen het licht.

 

Hij blijft even naar haar staan kijken, gaat dan naar het raam, opent het, trekt de hor naar beneden en sluit de gordijnen. Buiten blaft een hond. Hij draait zich naar haar toe.

 

‘Hoe nu verder?’

 

‘Hij had je niet moeten bellen,’ klinkt het gesmoord.

 

‘Wie?’

 

Ze laat haar hand zakken en kijkt hem met behuild gezicht aan.

 

‘…Mijn baas.’

 

‘Je baas met wie je naar bed gaat.’

 

‘Ja, maar hij had je niet moeten bellen.’

 

‘Waarom niet?’

 

‘Omdat het onzin is.’

 

‘Onzin dat je een verhouding met hem hebt?

 

‘Nee, dat niet, maar zijn vrouw is bij hem weg en hij is ziek. Hij heeft niet lang meer te leven en ik ben zwanger.’

 

Hij wil zich ergens aan vastgrijpen, vindt niets, gaat daarom maar op de rand van het bed zitten en staart deinend op zijn hartslag naar haar buik, die plat is als altijd.

 

‘Heeft hij je bezwangerd?’

 

‘Ja, maar ik houd ook nog altijd van jou en dat weet hij. Het valt me erg van hem tegen dat hij je heeft gebeld met zo’n verhaal terwijl hij heel goed weet dat het zo niet de bedoeling is.’

 

‘Hoe is het dan wel de bedoeling?’

 

‘Dat had ik je willen vertellen als het zover was.’

 

‘Als wat zover was?’

 

‘Als ik zwanger was.’

 

‘Je zegt net dat je dat bent.’

 

‘Ja, maar hij had je niet moeten bellen.’

 

Dat bellen zit haar dus dwars, schiet er door hem heen, maar dat kan ik verhelpen.

 

‘Nou, hij heeft me niet gebeld.’

 

‘Niet gebeld…?’

 

‘Nee, ik wilde een biertje gaan drinken op het Leidseplein en zag jullie lopen. Ik geloofde mijn ogen niet. Ik ben jullie gevolgd en zag jullie een grachtenhuis binnengaan. Hij woont niet slecht moet ik zeggen.’

 

Haar gezicht klaart op.

 

‘Oh, wat ben ik blij dat je me dat vertelt, dat ik me niet in hem heb vergist!’

 

‘Gefeliciteerd, maar ik heb me dus wel in jou vergist. Op de terugweg zag ik ook nog dat jullie kantoorboekhandel opheffingsuitverkoop houdt, waar je me niets over hebt gezegd.’

 

‘Ik hoop dat ik het je allemaal uit kan leggen.’

 

‘Ik luister.’

 

6

 

Ze drukt haar bovenlichaam omhoog, schuift naar achteren, gaat op het hoofdkussen met haar rug tegen de muur zitten, knikt zonder hem aan te kijken.

 

‘Vanwege zijn ziekte doekt hij inderdaad de zaak op. Hij heeft geprobeerd hem te verkopen maar dat is niet gelukt. En dat grachtenhuis heeft hij geërfd. Hij bewoont alleen de benedenverdieping, de rest heeft hij verhuurd. Maar zijn vrouw is dus bij hem weg, verleden jaar al, er vandoor met de boekhouder. Ik merkte dat hij eenzaam en verdrietig was en vroeg of ik hem misschien ergens mee kon helpen. Hij vertrouwde me toen toe dat hij ongeneeslijk ziek is, dat hij uitgezaaide longkanker heeft terwijl hij nooit heeft gerookt, dat hij volgens zijn artsen nog maar kort heeft te leven.

 

Daarna gingen we steeds vriendschappelijker met elkaar om en werden we verliefd. Hij en zijn ex hadden geen kinderen, net als wij, maar nu wilde hij graag nieuw leven nalaten door een kind bij mij te verwekken dat dan na zijn dood verder door jou en mij zou kunnen worden opgevoed. Ik heb er nog de leeftijd voor en vond dat ik het hem moest gunnen. Maar ik maakte hem wel duidelijk dat ik ondanks mijn gevoelens voor hem ook nog veel van jou houd, absoluut niet van plan ben jou voor hem te verlaten. Daar had hij begrip voor en was vanwege zijn nog maar korte levensverwachting ook geen reële optie.

 

Maar omdat we het toen zo en niet anders wilden, besloten we dat ik het pas aan jou zou vertellen als ik inderdaad zwanger was. En als dat niet tijdig zou lukken, dat ik jou pas over onze verhouding zou vertellen na zijn dood in de hoop dat je er niet eerder iets van zou merken.

 

Ik was me er natuurlijk van bewust dat ik het risico liep jou erdoor te zullen verliezen. Wat ik verschrikkelijk zou vinden. Maar het moest, ik moest het voor hem doen. Althans, ik wilde het beslist proberen, want het was natuurlijk niet zeker of het zou lukken zwanger te raken. Maar verleden week al bleek dat tot onze grote vreugde het geval te zijn en dat hebben we vanavond gevierd, eerst in de stad en daarna bij hem thuis, want we willen onze liefde ook seksueel blijven vieren zolang het kan. Tot nu toe voelt hij zich gelukkig niet al te slecht en voor mij is het natuurlijk ook nog geen probleem.’

 

Als in trans voor zich uit starend heeft zij haar relaas gedaan en kijkt hem nu als geschrokken van haar eigen woorden aan.

 

‘Geloof me, ik heb nooit eerder zoiets gehad sinds ik met jou ben. En ik was echt van plan het je binnenkort te vertellen, waar ik natuurlijk wel tegenop zag, maar nu is het dus zo gelopen.’

 

7

 

Hij schudt langzaam, alsof zijn gedachten golven zijn waarop het zijdelings deint, zijn hoofd.

 

‘Eerst geloofde ik mijn ogen niet en nu geloof ik mijn oren niet. Je besloot mij op te zadelen met een kind van jou en je minnaar terwijl ik van niets wist, en als ik jullie niet toevallig vanavond had gezien zou ik nog steeds van niets hebben geweten!’

 

‘Maar ik zou het je echt hebben verteld.’

 

‘Geweldig, ik dacht je goed te kennen maar vraag me nu af wie je eigenlijk bent. Dat je een verliefdheid voor me verborgen hield, daar kan ik me nog iets bij voorstellen, maar dat je me over een kinderwens op die basis niet raadpleegde, mij ongevraagd met een kind van een ander probeert op te schepen, vind ik werkelijk onvoorstelbaar!’

 

‘Dat begrijp ik, heus dat begrijp ik, maar als ik het je eerst had gevraagd zou je het waarschijnlijk niet goed hebben gevonden en ik wilde het beslist voor hem doen, zonder of met jouw goedkeuring. Maar ik hoopte en hoop dat jij mij evenmin kwijt wilt als ik jou.’

 

Hij staart naar de abstracte figuren van het dekbed en fluistert vol ongeloof: ‘Dat ik al die tijd niets heb gemerkt, ik wist niet dat je zo goed kon acteren.’

 

‘Ik acteerde niet, als ik met hem ben, ben ik met hem, als ik met jou ben, ben ik met jou. Ik houd nu van jullie allebei, maar mijn gevoelens voor hem zijn natuurlijk vers en hevig. Daarbij komt dat het met hem waarschijnlijk niet lang zal duren en met jou hopelijk nog heel lang. Als ik van te voren zoiets had bedacht, zou ik vermoedelijk hebben gedacht dat ik me er schuldig door zou voelen, maar ik voel me er niet schuldig door, omdat ik weet dat mijn gevoelens zuiver zijn. Ik ben alleen bang jou erdoor te zullen verliezen. Wat ik dan helaas zal moeten accepteren. Want ik begrijp heus wel dat het moeilijk voor je is, dat ik je er pijn mee doe, maar ik hoop vurig dat we er samen uit zullen komen. Als je wilt zal ik jullie aan elkaar voorstellen. Het is zo’n bijzondere, gevoelige man. Hij houdt van poëzie, kent veel gedichten uit het hoofd, schrijft ze zelf ook.’

 

Bijzonder en gevoelig, een dichter, denkt hij en ziet hem voor zich zoals hij hem vanavond met haar zag lopen, dikkig en ouwelijk in uitsloverige vrijetijdskleding.

 

‘Maar hij is toch een zakenman.’

 

‘Ja, hoezo?’

 

‘Nou, vanwege die gedichten.’

 

‘Het een sluit het ander toch niet uit, Vondel had een kousenwinkel.’

 

‘Je doet niet minder.’

 

‘Zo bedoel ik het niet.’

 

‘Nee, maar hij zal je behalve een kind toch nog wel het een en ander nalaten.’

 

‘Ik hoop dat je me goed genoeg kent om te weten dat het me daar niet om te doen is. Maar voor ons kind zal hij inderdaad wel iets regelen, ja.’

 

‘Ik weet dus niet of ik je wel zo goed ken.’

 

‘Dat spijt me.’

 

‘Mij ook, maar als je zwangerschap nu eens misgaat?’

 

‘Waarom zou het misgaan?

 

Hij haalt zijn schouders op.

 

‘En als hij nu eens tegen de verwachting nog heel lang leeft?

 

‘Dat zou fantastisch zijn, dan zijn we met z’n drieën, tenminste als jij…’

 

‘Met z’n vieren,’ valt hij haar in de rede.

 

Zij glimlacht dankbaar.

 

8

 

Maar zo welwillend bedoelde hij het niet. Toch vraagt hij dan ook maar of het een jongen of een meisje wordt. Wat ze nog niet weet, daarvoor is het nog te vroeg. En hij weet nog steeds niet hoe het nu verder moet, wel hoe zij wil dat het verder gaat, niet wat hij ermee aan moet. Maar voorlopig is er volgens hem alles over gezegd wat er over te zeggen valt. Buiten blaft weer die hond, of misschien is het nu een andere hond.

 

‘Over vroeg gesproken, ’zegt hij opstaand, ‘het is al laat, morgen weer een dag.’

 

‘Het is al morgen,’ antwoordt zij, staat ook op en begint zich uit te kleden.

 

Onwennig kijkt hij toe: zijn vrouw niet meer zo vanzelfsprekend zijn vrouw, het met haar naar bed gaan als vreemdgaan zonder lust. Dan kleedt hij zich ook uit. Het is te warm voor nachtkleding. Naakt als ook hij naakt is, komt zij naar hem toe en trekt hem tegen zich aan. Hij ondergaat het onwillig. Wat zij niet merkt of negeert.

 

‘Ik houd van je, lieverd, geloof me,’ zegt ze in zijn oor, ‘en niemand buiten ons drieën hoeft ooit te weten hoe het zit.’

 

Maar hij weet hoe het zit en waar het zit, voelt haar lichaam, voelt haar buik, voelt tranen branden, mompelt tot zijn eigen verbazing: ‘En ze leefden nog lang en gelukkig.’

 

Zij duwt hem een beetje van zich af, kijkt hem verbaasd aan en barst dan in lachen uit. Naar adem happend probeert ze te herhalen wat hij heeft gezegd. Tranen stromen over haar wangen. De spanning moet er kennelijk uit. Bij hem ook. Want ze steekt hem aan. Hij bedenkt dat het raam openstaat en dat er vele ramen open zullen staan, maar kan zich evenmin als zij beheersen.

 

Dan trekt zij hem weer tegen zich aan, smoort haar lach vochtig in zijn hals, weet hij niet meer of zij lacht of huilt en weet hij dat ook van zichzelf niet meer.

 

 

Coos de Goede mei/juni 2022